Wat Zegt de Bijbel?  

Goddelijke Genocide

Hoewel God de mens naar Zijn evenbeeld had geschapen  en Hij aanvankelijk tevreden was met het resultaat blijkt het na verloop van tijd noodzakelijk om de complete mensheid, op het gezin van Noach na, inclusief kinderen en babies te verdrinken.

(Genesis 7:23)  Alzo werd verdelgd al wat bestond, dat op den aardbodem was, van den mens aan tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels, en zij werden verdelgd van de aarde; doch Noach alleen bleef over, en wat met hem in de ark was.

Blijkbaar heeft de nieuwe start met Noach niet echt geholpen want na een tijdje blijkt het nodig om twee complete steden inclusief vrouwen, kinderen en babies te verdelgen.

(Genesis 19:24-25)  Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van den HEERE uit den hemel. En Hij keerde deze steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands.

Hoewel de bijbelse God dit in Zijn voorzienigheid natuurlijk makkelijk anders had kunnen regelen (bijv. door een onbewoond stuk woestijn vruchtbaar te maken of ipv het volk 40 jaar rondjes in de Sinai te laten lopen had Hij ze ook naar een minder bevolkt stukje van de wereld kunnen dirigeren) belooft Hij aan Abraham een stuk land dat al bewoond is door andere volkeren.

(Genesis 15:18) Ten zelfden dage maakte de HEERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:  Den Keniet, en den Keniziet, en den Kadmoniet, En den Hethiet, en den Fereziet, en de Refaieten, En den Amoriet, en den Kanašniet, en den Girgaziet, en den Jebusiet.


In tegenspraak met zijn eigen gebod "Gij zult niet stelen" belooft God ook alle bezittingen van de inwoners van het beloofde land aan het nageslacht van Abraham.
 
(Deuteronomium 6:10-11)  Als het dan zal geschied zijn, dat de HEERE, uw God, u zal hebben ingebracht in dat land, dat Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft, u te zullen geven; grote en goede steden, die gij niet gebouwd hebt, En huizen, vol van alle goeds, die gij niet gevuld hebt, en uitgehouwen bornputten, die gij niet uitgehouwen hebt, wijngaarden en olijfgaarden, die gij niet geplant hebt, en gij gegeten hebt en verzadigd zijt;

(Deuteronomium 20:14)  Behalve de vrouwen, en de kinderkens, en de beesten, en al wat in de stad zijn zal, al haar buit zult gij voor u roven; en gij zult eten den buit uwer vijanden, dien u de HEERE, uw God, gegeven heeft.


Naast de hebzucht  van de IsraŽliŽrs weet de bijbelse God met Zijn beloftes ook de seksuele driften te prikkelen.
 

(Deuteronomium 21:10-11) Wanneer gij zult uitgetogen zijn tot den strijd tegen uw vijanden; en de HEERE, uw God, hen zal gegeven hebben in uw hand, dat gij hun gevangenen gevankelijk wegvoert; En gij onder de gevangenen zult zien een vrouw, schoon van gedaante, en gij lust tot haar gekregen zult hebben, dat gij ze u ter vrouwe neemt;


Om Zijn absurde beloftes waar te kunnen maken kiest de hemelse Vader voor het middel van de planmatige genocide. In tegenspraak met zijn eigen gebod "Gij zult niet doden" geeft Hij gewoon opdracht om hele steden en volkeren uit te moorden.

Let wel, dit zijn de niet de oorlogsmisdaden van een ontspoord volk maar regelrechte instructies van de Allerhoogste voor het organiseren van een holocaust.

(Deuteronomium 20:16-17)  Maar van de steden dezer volken, die u de HEERE, uw God, ten erve geeft, zult gij niets laten leven, dat adem heeft. Maar gij zult ze ganselijk verbannen: de Hethieten, en de Amorieten, en de Kanašnieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten, gelijk als u de HEERE, uw God, geboden heeft;
(Deuteronomium 20:13) En de HEERE, uw God, zal haar in uw hand geven; en gij zult alles, wat mannelijk daarin is, slaan met de scherpte des zwaards;
(Deuteronomium 13:15)  Zo zult gij de inwoners derzelver stad ganselijk slaan met de scherpte des zwaards, verbannende haar, en alles, wat daarin is, ook haar beesten, met de scherpte des zwaards.
(Deuteronomium 7:16) Gij zult dan al die volken verteren, die de HEERE, uw God, u geven zal; uw oog zal hen niet verschonen, en gij zult hun goden niet dienen; want dat zoude u een strik zijn.

(Deuteronomium 7:22-23) En de HEERE, uw God, zal deze volken voor uw aangezicht allengskens uitwerpen; haastelijk zult gij hen niet mogen te niet doen, opdat het wild des velds niet tegen u vermenigvuldige. En de HEERE zal hen geven voor uw aangezicht, en Hij zal hen verschrikken met grote verschrikking, totdat zij verdelgd worden.

(Numerie 21:34-35)  De HEERE nu zeide tot Mozes: Vrees hem niet; want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land; en gij zult hem doen, gelijk als gij Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt. En zij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk, alzo dat hem niemand overbleef; en zij namen zijn land in erfelijke bezitting.
(Numerie. 25:17)  Handel vijandelijk met de Midianieten, en versla hen;
(Numerie 31:7)  En zij streden tegen de Midianieten, gelijk als de HEERE Mozes geboden had, en zij doodden al wat mannelijk was.
(Jozua 8:24)  En het geschiedde, toen de IsraŽlieten een einde gemaakt hadden van al de inwoners van Ai te doden, op het veld, in de woestijn, in dewelke zij hen nagejaagd hadden, en dat zij allen door de scherpte des zwaards gevallen waren, totdat zij allen vernield waren; zo keerde zich gans IsraŽl naar Ai, en zij sloegen ze met de scherpte des zwaards.
(Jozua 10:40)  Alzo sloeg Jozua het ganse land, het gebergte, en het zuiden, en de laagte, en de aflopingen der wateren, en al hun koningen; hij liet geen overigen overblijven; ja, hij verbande alles, wat adem had, gelijk als de HEERE, de God Israels, geboden had.
(Jozua 11:14)  En al den roof dezer steden, en het vee, roofden de kinderen IsraŽls voor zich; alleenlijk sloegen zij al de mensen met de scherpte des zwaards, totdat zij hen verdelgden; zij lieten niet overblijven wat adem had.

De bijbelse God is ook niet te beroerd om zelf een handje mee te helpen als er gemoord moet worden.

(Exodus 23:23) Want Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan, en Hij zal u inbrengen tot de Amorieten, en Hethieten, en Ferezieten, en Kanašnieten, Hevieten, en Jebusieten; en Ik zal hen verdelgen.
(Jozua 10:11) Het geschiedde nu, toen zij voor het aangezicht van IsraŽl vluchtten, zijnde in den afgang van Beth-horon, zo wierp de HEERE grote stenen op hen van den hemel, tot Azeka toe, dat zij stierven; daar waren er meer, die van de hagelstenen stierven, dan die de kinderen IsraŽls met het zwaard doodden.

(2 Koningen 19:35) Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel des HEEREN uitvoer, en sloeg in het leger van AssyriŽ honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.

(Exodus 12:29) En het geschiedde ter middernacht, dat de HEERE al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van den eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op den eerstgeborene van den gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen der beesten.

Ook nadat het beloofde land is ingenomen geeft God keer op keer opdracht om hele steden en volkeren tot op de laatste man uit te moorden. Voor de weekhartigen geeft de Heere nog speciale instructies om vrouwen, kinderen en ouden van dagen toch beslist niet te sparen. 

(1 Samuel 15:18)  En de HEERE heeft u op den weg gezonden, en gezegd: Ga heen en verban de zondaars, de Amalekieten, en strijd tegen hen, totdat gij dezelve te niet doet.
(Jeremia 50:21)  Tegen het land Merathaim, trek tegen hetzelve op, en tegen de inwoners van Pekod; verwoest en verban achter hen, spreekt de HEERE, en doe naar alles, wat Ik u geboden heb.
(1 Samuel 15:3)  Ga nu heen, en sla Amalek, en verban alles, wat hij heeft, en verschoon hem niet; maar dood van den man af tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen, van de ossen tot de schapen, van de kemelen tot de ezelen toe.
(1 Samuel 5:9)  En het geschiedde, nadat zij die hadden rondom gedragen, zo was de hand des HEEREN tegen die stad met een zeer grote kwelling; want Hij sloeg de lieden dier stad van den kleine tot den groteÖ.  
(Jeremia 13:14)  En Ik zal hen in stukken slaan, den een tegen den ander, zo de vaders als de kinderen te zamen, spreekt de HEERE; Ik zal niet verschonen noch sparen, noch Mij ontfermen, dat Ik hen niet zou verderven.
(Ezechiel 9:5-6)  Maar tot die anderen zeide Hij voor mijn oren: Gaat door, door de stad achter hem, en slaat, ulieder oog verschone niet, en spaart niet! Doodt ouden, jongelingen en maagden, en kinderkens en vrouwen, tot verdervens toe;

Conclusie: de bijbelse God is een genadeloze bruut die complete volkeren inclusief onschuldige kinderen laat opruimen omdat ze toevallig in de weg zitten of omdat ze "gruwelen" zouden hebben begaan.  (Deuteronomium 20:18)

Klaarblijkelijk is de Heere, overeenkomstig het bekende spreekwoord met de splinter en de balk,  wel ontvankelijk voor gruwelen die anderen plegen maar is Hij stekeblind voor de gruwelijkheden die Hijzelf begaat.


Lees verder:  Slavernij in de Bijbel



Polulaire pagina's


© debijbelzegt.nl 2018