Wat Zegt de Bijbel?  

Hebt uw Vijanden lief?

Deze leer van Jezus is, zoals hijzelf al aangeeft, geheel onbekend in het Oude Testament en naar het lijkt ook aan God zelf.

(MattheŁs 5:43)  Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult gij haten. Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen;

Jezus vervolgt zijn betoog waarin hij ons wil laten geloven dat het liefhebben van vijanden iets is wat God  hoog in zijn vaandel heeft staan. God wordt hierbij voorgesteld als een liefhebbende Vader die goed doet aan allen.

(MattheŁs 5:44) Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

Uit een gelijkenis in Lukas 19 blijkt dat Jezus ideeŽn over het liefhebben van vijanden nogal veranderlijk zijn.

(Lukas 19:27) Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zoude zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood.

Hebt uw vijanden lief??? Dat is geheel nieuw voor de God die zich in het Oude Testament aan ons openbaart zoals mag blijken uit de volgende teksten waarin God de vijanden van Israel slaat met het zwaard, verscheurt, nekken breekt, vervloekt,  hun bloed door honden laat likken en go zo maar door. Volgens Jozua 10:13 zet God zelfs de zon stil zodat Jozua nog meer vijanden kan doden. Jammer dat God zich pas in de tijd van Jezus heeft gerealiseerd hoe belangrijk het is om je vijanden lief te hebben!!!!!

(Leviticus 26:7) En gij zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
(Deuteronomium 30:7) En de HEERE, uw God, zal al die vloeken leggen op uw vijanden en op uw haters, die u vervolgd hebben.
(Jozua 10:13) En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had
(1 SamuŽl 25:29) Wanneer een mens opstaan zal om u te vervolgen, en om uw ziel te zoeken, zo zal de ziel mijns heren ingebonden zijn in het bundeltje der levenden bij den HEERE, uw God; maar de ziel uwer vijanden zal Hij slingeren uit het midden van de holligheid des slingers.
(2 SamuŽl 5:20) Toen kwam David te Baal-perazim; en David sloeg hen aldaar, en zeide: De HEERE heeft mijn vijanden voor mijn aangezicht gescheurd, als een scheur der wateren; daarom noemde hij den naam derzelve plaats, Baal-perazim.
(2 SamuŽl 22:41) En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, mijner haters, en ik vernielde hen.
(2 Kronieken 20:29) En er werd een verschrikking Gods over alle koninkrijken dier landen, als zij hoorden, dat de HEERE tegen de vijanden van Israel gestreden had.
(Psalmen 3:8) Sta op, HEERE, verlos mij, mijn God; want Gij hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden der goddelozen hebt Gij verbroken.
(Psalmen 18:41) En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.
(Psalmen 68:22) Voorzeker zal God den kop Zijner vijanden verslaan, den harigen schedel desgenen, die in zijn schulden wandelt.
(Psalmen 68:24) Opdat gij uw voet, ja, de tong uwer honden, moogt steken in het bloed van de vijanden, van een iegelijk van hen.
(Psalmen 140:11)  Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weder opstaan.
(Psalmen 72:9) De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof lekken.
(Psalmen 143:12) En roei mijn vijanden uit, om Uw goedertierenheid, en breng hen om, allen, die mijn ziel beangstigen; want ik ben Uw knecht.
(Jesaja 1:24) Daarom spreekt de Heere, HEERE der heirscharen, de Machtige Israels: O wee! Ik zal Mij troosten van Mijn wederpartijders. Ik zal Mij wreken van Mijn vijanden.
(Nahum 1:2) Een ijverig God en een wreker is de HEERE, een wreker is de HEERE, en zeer grimmig; een wreker is de HEERE aan Zijn wederpartijders, en Hij behoudt den toorn Zijn vijanden.

Het moge duidelijk zijn dat het liefhebben van vijanden een totaal onbekend concept is voor de Oudtestamentische God, wat nog eens duidelijk wordt samengevat in de volgende tekst: 

(2 Kronieken 19:2) En Jehu, de zoon van Hanani, de ziener, ging uit, hem tegen, en zeide tot den koning Josafat: Zoudt gij den goddeloze helpen, en die den HEERE haten, liefhebben? Nu is daarom over u van het aangezicht des HEEREN grote toornigheid.

Als we onze vijanden lief moeten hebben mogen we ze natuurlijk ook niet haten. De volgende teksten worden dan ook aangehaald om dit te staven maar men vergeet dan dat hier overal staat ''uw broeder''. Er staat dus niet "Gij zult niemand haten". De regel wordt net als het negende gebod  duidelijk beperkt tot broeders en naasten. 

(Leviticus 19:17) Gij zult uw broeder in uw hart niet haten;
(1 Johannes 3:15) Een iegelijk, die zijn broeder haat, is een doodslager; en gij weet, dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende.
(1 Johannes 4:20) Indien iemand zegt: Ik heb God lief; en haat zijn broeder, die is een leugenaar; want die zijn broeder niet liefheeft, dien hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, Dien hij niet gezien heeft?
(1 Johannes 2:11) Maar die zijn broeder haat, is in de duisternis, en wandelt in de duisternis, en weet niet, waar hij henengaat; want de duisternis heeft zijn ogen verblind.

In de loop der eeuwen zijn de christenen deze "naaste" en "broeder" steeds ruimer gaan interpreteren zodat het nu "iedere medemens" inclusief vijanden en tegenstanders betekent. Dat dit geenszins de interpretatie van de Bijbel is blijkt uit het volgende:

(Psalmen 5:6) De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.
(Psalmen 139:21) Zou ik niet haten, HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan?
(Prediker 3:8) Een tijd om lief te hebben, en een tijd om te haten; een tijd van oorlog, en een tijd van vrede.

Jezus doet er nog een schepje bovenop door de zeggen dat een goede volgeling van Hem zijn hele familie moet haten.

(Lucas 14:26) Indien iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.


Lees verder:   drink mijn Bloed?


Polulaire pagina's


© debijbelzegt.nl 2018