Jezus versus Oude Testament

De schrijvers van het Nieuwe Testament en de christelijke theologen na hen doen hun uiterste best om de Bijbel voor te stellen als een consistent geheel dat begint bij de schepping en eindigt met het offer van Jezus Christus.
De gehele Bijbel wordt daarbij gezien als de ontvouwing van Gods grote plan om de mensheid te redden van de eeuwige duisternis.

Zoals uit het onderstaande mag blijken kan men bij die voorstelling van zaken nogal wat vraagtekens zetten.
God is ťťn.
Om te beginnen staat nergens in het OT dat God een zoon zou hebben. Sterker nog, in diverse teksten staat juist dat God ťťn is en dat en niemand meer is behalve Hijzelf.
(Behalve deze tekst die we hier maar buiten beschouwing zullen laten waar Gods zonen speciaal naar de aarde komen om sex te hebben met vrouwen)

(Deuteronomium 4:35) U is het getoond, opdat gij wetet, dat de HEERE die God is; er is niemand meer dan Hij alleen!
(Deuteronomium 6:4) Hoor, Israel! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!
(2 Samuel 7:22) Daarom zijt Gij groot, HEERE God! Want er is niemand gelijk Gij, en er is geen God dan alleen Gij, naar alles, wat wij met onze oren gehoord hebben.
(Deuteronomium 4:39) Zo zult gij heden weten, en in uw hart hervatten, dat de HEERE die God is, boven in den hemel, en onder op de aarde, niemand meer!
(Deuteronomium 6:4) Hoor, Israel! de HEERE, onze God, is een enig HEERE
(Jesaja 43:10-11) Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, en Mijn knecht, dien Ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelve ben, dat voor Mij geen God geformeerd is, en na Mij geen zijn zal. Ik, Ik ben de HEERE, en er is geen Heiland behalve Mij.
(Jesaja 44:6) 6 Zo zegt de HEERE, de Koning van IsraŽl, en zijn Verlosser, de HEERE der heirscharen: Ik ben de Eerste, en Ik ben de Laatste, en behalve Mij is er geen God.
(Jesaja 45:5) Ik ben de HEERE, en niemand meer, buiten Mij is er geen God;
(1 Samuel 2:2) Er is niemand heilig, gelijk de HEERE;
(1 Koningen 8:60) Opdat alle volken der aarde weten, dat de HEERE die God is, niemand meer;
(Marcus 12:29) En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israel! de Heere, onze God, is een enig Heere.



Vergeving van zonden.
Volgens het OT is er voor vergeving van zonden helemaal geen zoon van God aan een kruis nodig. Als een zondaar tot inkeer komt en een schuldoffer brengt als teken daarvan worden haar/zijn zonden gewoon door God vergeven.

(Numeri 15:26) Het zal dan aan de ganse vergadering der kinderen IsraŽls vergeven worden, ook den vreemdeling, die in het midden van henlieden als vreemdeling verkeert; want het is het ganse volk door dwaling overkomen.
(Leviticus 4:20) En hij zal dezen var doen, gelijk als hij den var des zondoffers gedaan heeft, alzo zal hij hem doen; en de priester zal voor hen verzoening doen, en het zal hun vergeven worden.
(Leviticus 4:35) En al het vet daarvan zal hij afnemen, gelijk als het vet van het lam des dankoffers afgenomen wordt, en de priester zal die aansteken op het altaar, op de vuurofferen des HEEREN; en de priester zal voor hem verzoening doen over zijn zonde, die hij gezondigd heeft, en het zal hem vergeven worden.
(Leviticus 5:10) En de andere zal hij ten brandoffer maken, naar de wijze; zo zal de priester voor hem, vanwege zijn zonde, die hij gezondigd heeft, verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.
(Leviticus 6:7) Dan zal de priester voor hem verzoening doen voor het aangezicht des HEEREN, en het zal hem vergeven worden; over iets van al, wat hij doet, waar hij schuld aan heeft.

Hele hoofdstukken van Leviticus zijn geweid aan instructies met vet, bloed en ingewanden die precies aangeven hoe de offers uitgevoerd moesten worden.

Zelfs de grootste zondaars kunnen zonder speciale offers door God vergeven worden als er sprake is van oprechte inkeer.

(2 Samuel 12:11-13) Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal kwaad over u verwekken uit uw huis, en zal uw vrouwen nemen voor uw ogen, en zal haar aan uw naaste geven; die zal bij uw vrouwen liggen, voor de ogen dezer zon. Want gij hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor gans IsraŽl, en voor de zon. Toen zeide David tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen den HEERE! En Nathan zeide tot David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen, gij zult niet sterven.
(2 Kronieken 33:9-13) Zo deed Manasse Juda en de inwoners te Jeruzalem dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen IsraŽls verdelgd had. De HEERE sprak wel tot Manasse en tot zijn volk; maar zij merkten daar niet op. Daarom bracht de HEERE over hen de krijgsoversten, die de koning van AssyriŽ had, dewelke Manasse gevangen namen onder de doornen; en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel. En als hij hem benauwde, bad hij het aangezicht des HEEREN, zijns Gods, ernstelijk aan, en vernederde zich zeer voor het aangezicht van den God zijner vaderen, En bad Hem; en Hij liet Zich van hem verbidden, en hoorde zijn smeking, en Hij bracht hem weder te Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse, dat de HEERE God is.
(Jona 3:10) En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun bozen weg; en het berouwde God over het kwaad, dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed het niet.

Zonden niet overdraagbaar.
Ezechiel 18 zegt heel expliciet dat zonden niet door een andere persoon kunnen worden overgenomen of goed gemaakt. Iedereen leeft/sterft voor zijn eigen rechtvaardigheid/zonden. Blijkbaar kunnen de rechtvaardigen heel goed leven zonder dat daar een zoon van God voor geofferd moet worden.

(Ezechiel 18:21-23) 14 Ziet nu, heeft hij een zoon gewonnen, die al de zonden zijn vaders, die hij doet, aanziet, en toeziet, dat hij dergelijke niet doet; 15 Niet eet op de bergen, noch zijn ogen opheft tot de drekgoden van het huis IsraŽls, de huisvrouw zijns naasten niet verontreinigt; 16 En niemand verdrukt, het pand niet behoudt, en geen roof rooft, zijn brood den hongerige geeft, en den naakte met kleding bedekt; 17 Zijn hand van den ellendige afhoudt, geen woeker noch overwinst neemt, Mijn rechten doet, en in Mijn inzettingen wandelt; die zal niet sterven om de ongerechtigheid zijns vaders; hij zal gewisselijk leven. 18 Zijn vader, dewijl hij met onderdrukking onderdrukt heeft, des broeders goed geroofd heeft, en gedaan heeft, dat niet goed was in het midden zijner volken; ziet daar, hij zal sterven in zijn ongerechtigheid. 19 Maar gijlieden zegt: Waarom draagt de zoon niet de ongerechtigheid des vaders? Immers zal de zoon, die recht en gerechtigheid gedaan heeft, en al Mijn inzettingen onderhouden, en die gedaan heeft, gewisselijk leven. 20 De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid des zoons; de gerechtigheid des rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid des goddelozen zal op hem zijn.
(Jeremia 31:29-30) In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en der kinderen tanden zijn stomp geworden. Maar een iegelijk zal om zijn ongerechtigheid sterven; een ieder mens, die de onrijpe druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden.



Bekering is voldoende.
Als er ťťn plek in het Oude Testament is waar Jezus als redder van de zondige mens genoemd zou moeten worden dan is het wel Ezechiel 18. Maar het blijft oorverdovend stil. God zegt hier heel duidelijk dat zondaren die zich bekeren zullen leven en daar lijkt geen middelaar of zaligmaker aan te pas te komen.

(Ezechiel 18:21-23) 21 Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van al zijn zonden, die hij gedaan heeft, en al Mijn inzettingen onderhoudt, en doet recht en gerechtigheid, hij zal gewisselijk leven, hij zal niet sterven.
22 Al zijn overtredingen, die hij gedaan heeft, zullen hem niet gedacht worden; in zijn gerechtigheid, die hij gedaan heeft, zal hij leven.
23 Zou Ik enigzins lust hebben aan den dood des goddelozen, spreekt de Heere HEERE; is het niet, als hij zich bekeert van zijn wegen, dat hij leve?


Ook in Jesaja zegt God dat zonden vergeven worden na een oprechte bekering en ook hier is er geen sprake van een marteldood aan een kruis.

(Jesaja 1:16-18) Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen. Leert goed te doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwe. Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.



De Messias.
Is Jezus de lang verwachte Messias die in het Oude Testament reeds voorspeld werd?

(Johannes 4:25) De vrouw zeide tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt (Die genaamd wordt Christus); wanneer Die zal gekomen zijn, zo zal Hij ons alle dingen verkondigen.

Daar lijkt het niet op want de messiassen van het OT zijn wereldse leiders die het volk Israel moeten bevrijden van zijn vijanden en hebben niets te maken met een zoon van God die de wereldbevolking komt redden van de eeuwige duisternis.

Zie onderstaande teksten van Zacharia en Daniel die duidelijke zeggen dat de messias heerschappij zal hebben over de gehele wereld en dus niet dat hij zoals Jezus terechtgesteld gaat worden.

Interessant detail is dat de eerste zin uit de tekst van Zacharia wordt gebruikt als een profetie die werd vervuld bij de intocht van Jezus in Jerusalem maar dat de tweede zin ineens een profetie zou zijn die nog vervuld moet worden in de toekomst.

(Zacharia 9:9-10) Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen.
En Ik zal de wagens uit EfraÔm uitroeien, en de paarden uit Jeruzalem; ook zal de strijdboog uitgeroeid worden, en Hij zal den heidenen vrede spreken; en Zijn heerschappij zal zijn van zee tot aan zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde.

(Daniel 7:13-14) Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen.
En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiŽn en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden.


Voor meer details over die messiassen zie: de messias.


Satan/duivel.
Satan/duivel speelt in het OT maar een hele beperkte rol en komt in de eerste 9 bijbelboeken zelfs helemaal niet voor. Ook niet bij de zondeval dus. Daar is enkel sprake van een pratende slang en niets wijst erop dat satan hier aan het werk zou zijn.

De slang wordt in het eerste vers geintroduceerd als een een dier dat door God is geschapen en de veroordeling in vers 15 is niets anders dan een uiting van de algemene afkeer die mensen hebben van slangen.

(Genesis 3) De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de HEERE God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs? En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wij eten; Maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft. Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven; ........... En de HEERE God zeide tot de vrouw: Wat is dit, dat gij gedaan hebt? En de vrouw zeide: De slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten. Toen zeide de HEERE God tot die slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zo zijt gij vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte des velds! Op uw buik zult gij gaan, en stof zult gij eten, al de dagen uws levens.

En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.

Geen satan of duivel te bekennen en ook geen Zoon van God die deze zou moeten verslaan.

Zie: wie is satan? voor alle teksten in het OT waarin satan WEL een rol speelt.



CONCLUSIE: Zoals uit het bovenstaande blijkt is er in het OT nergens sprake van een Zoon van God die ter vergeving van de zonden van de mensheid geofferd zou moeten worden.

Desalniettemin doen de schrijvers van het NT hun uiterste best om de zaken zo voor te stellen als zou dit wel degelijk het geval zijn. Zie valsheid in geschrifte voor een uitgebreid relaas hoe ze dat precies aanpakken.