Wie is Satan?

Satan wordt vaak voorgesteld als een soort anti-god die met behulp van een leger aan demonen er alles aan doet om de mensheid naar de eeuwige verdoemenis te leiden.

Dit is in schril contrast met het Oude Testament waar de "satan" enkel handelt in opdracht/met toestemming van God. Op ťťn vers na in Zacharia wordt de "satan" in het OT ook nergens door God terechtgewezen of veroordeeld.

Het woord "satan" is afgeleid van het hebreeuwse woord "shtn" dat in het OT wordt gebruikt om een uitdager, tegenstander of een vijand aan te duiden en is dus geen naam van een specifieke persoon. De uitdager/tegenstander kan zowel een mens als een engel zijn.

Dit woord "shtn" komt voor in 24 verzen van het OT waarvan 11 verzen in het boek Job staan. Alle 24 verzen staan hieronder vermeld ingedeeld in 4 categorieeen.

NB: bij alle dikgedrukte woorden staat in de grondtekst "shtn".
De satan als tegenstander
In onderstaande teksten word het hebreeuwse woord "shtn" gebruikt om een menselijke tegenstander aan te duiden.

(1 Samuel 29:4) Doe den man wederkeren, dat hij tot zijn plaats wederkere, waar gij hem besteld hebt, en dat hij niet met ons aftrekke in den strijd, opdat hij ons niet tot een tegenpartijder worde in den strijd;
(2 Samuel 19:22) Maar David zeide: Wat heb ik met ulieden te doen, gij zonen van Zeruja! Dat gij mij heden ten satan zoudt zijn?
(1 Koningen 5:4) Maar nu heeft de HEERE, mijn God, mij van rondom rust gegeven; er is geen tegenpartijder, en geen bejegening van kwaad.
(Psalmen 109:20) Dit zij het werkloon mijner tegenstanders van den HEERE, en dergenen, die kwaad spreken tegen mijn ziel.



De satan als werktuig van God
De "shtn" kan ook een engel of mens zijn die door God wordt gebruikt.

(Numeri 22:22) Doch de toorn van God werd ontstoken, omdat hij heentoog; en de Engel des HEEREN stelde Zich in den weg, hem tot een tegenpartij; hij reed nu op zijn ezelin, en twee zijner jongeren waren bij hem.
(Numeri 22:32) Toen zeide de Engel des HEEREN tot hem: Waarom hebt gij uw ezelin nu driemaal geslagen? Zie, Ik ben uitgegaan u tot een tegenpartij, dewijl deze weg van Mij afwijkt.
(1 Koningen 11:14) Zo verwekte de HEERE Salomo een tegenpartijder, Hadad, den Edomiet; hij was van des konings zaad in Edom.
(1 Koningen 11:23-25) Ook verwekte God hem een wederpartijder, Rezon, den zoon van Eljada, die gevloden was van zijn heer Hadad-ezer, den koning van Zoba, .........En hij was IsraŽls tegenpartijder al de dagen van Salomo, en dat benevens het kwaad, dat Hadad deed; want hij had een afkeer van IsraŽl, en hij regeerde over SyriŽ.



De satan in het boek Job
In het boek Job verschijnt de satan op een hemelse vergadering en krijgt van God toestemming om alles te doen om Job aan het twijfelen over de goedheid van God te brengen.

(Job 1:6-12) Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam. Toen zeide de HEERE tot den satan: Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen. En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad. Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest? Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande. Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen? En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN.
(Job 2:1-7) Wederom was er een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam, om zich voor den HEERE te stellen. Toen zeide de HEERE tot den satan: Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen. En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtigheid, hoewel gij Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak. Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven. Doch strek nu Uw hand uit, en tast zijn gebeente en zijn vlees aan; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen! En de HEERE zeide tot den satan: Zie, hij zij in uw hand, doch verschoon zijn leven. Toen ging de satan uit van het aangezicht des HEEREN, en sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn schedel toe.



Overige OT teksten waar satan in voorkomt.


(1 Kronieken 21:1) Toen stond de satan op tegen IsraŽl, en hij porde David aan, dat hij IsraŽl telde.
(Psalmen 109:6) Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand.
(Zacharia 3:1-2) Daarna toonde Hij mij Josua, den hogepriester, staande voor het aangezicht van den Engel des HEEREN; en de satan stond aan zijn rechterhand, om hem te wederstaan. Doch de HEERE zeide tot den satan: De HEERE schelde u, gij satan! ja, de HEERE schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt?



Satan/Duivel in het NT.
In het NT wordt satan ook aangeduid met "de duivel". In de griekse grontekst staat hier respectievelijk "satana" en "diabolos". Het woord "diabolos" betekend zoveel als "doorheen gooier" met andere woorden iemand die verwarring wil zaaien.

Hieronder enkele teksten waar "satan" en "de duivel" ťťn en dezelfde persoon zijn.

(Mattheus 4:8-11) Wederom nam Hem de duivel mede op een zeer hogen berg, en toonde Hem al de koninkrijken der wereld, en hun heerlijkheid; En zeide tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden. Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: Den Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen. Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, de engelen zijn toegekomen, en dienden Hem.
(Marcus 1:12-13) En terstond dreef Hem de Geest uit in de woestijn. En Hij was aldaar in de woestijn veertig dagen, verzocht van den satan; en was bij de wilde gedierten; en de engelen dienden Hem.
(Lukas 4:5-8) En als Hem de duivel geleid had op een hogen berg, toonde hij Hem al de koninkrijken der wereld, in een ogenblik tijds. En de duivel zeide tot Hem: Ik zal U al deze macht, en de heerlijkheid derzelver koninkrijken geven; want zij is mij overgegeven, en ik geef ze, wien ik ook wil; Indien Gij dan mij zult aanbidden, zo zal het alles Uw zijn. En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Ga weg van Mij, satan, want er is geschreven: Gij zult den Heere, uw God, aanbidden, en Hem alleen dienen.
(Lukas 22:3-4) En de satan voer in Judas, die toegenaamd was Iskariot, zijnde uit het getal der twaalven. En hij ging heen en sprak met de overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij Hem hun zou overleveren.
(Johannes 13:2-27) En als het avondmaal gedaan was, toen nu de duivel in het hart van Judas, Simons zoon, Iskariot, gegeven had, dat hij Hem verraden zou, ..........Jezus antwoordde: Deze is het, dien Ik de bete, als Ik ze ingedoopt heb, geven zal. En als Hij de bete ingedoopt had, gaf Hij ze Judas, Simons zoon, Iskariot. En na de bete, toen voer de satan in hem. Jezus dan zeide tot hem: Wat gij doet, doe het haastelijk.
(Jakobus 4:7) Zo onderwerpt u dan Gode; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden.
(Openbaring 2:10) Vrees geen der dingen, die gij lijden zult. Ziet, de duivel zal enigen van ulieden in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt; en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens.

In veel vertalingen wordt ook "duivel/duivels/duivelen" gebruikt op plaatsen waar eigenlijk "demon" of "boze geest" had moeten staan. In de griekse grontekst staat hier "daimonion" of verbuigingen van dat woord die betekenen dat een "demon" bezit heeft genomen van deze persoon.

In onderstaande teksten is "de duivel" dus NIET dezelfde persoon als "satan".

(Mattheus 4:24) En Zijn gerucht ging van daar uit in geheel SyriŽ; en zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van den duivel bezeten, en maanzieken en geraakten; en Hij genas dezelve.
(Mattheus 8:16) En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot Hem gebracht, en Hij wierp de boze geesten uit met den woorde, en Hij genas allen, die kwalijk gesteld waren;
(Mattheus 8:28) En als Hij over aan de andere zijde was gekomen in het land der Gergesenen, zijn Hem twee, van den duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, alzo dat niemand door dien weg kon voorbij gaan.
(Mattheus 9:32-33) Als dezen nu uitgingen, ziet, zo brachten zij tot Hem een mens, die stom en van den duivel bezeten was. En als de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme. En de scharen verwonderden zich, zeggende: Er is nooit desgelijks in IsraŽl gezien!
(Mattheus 12:22) Toen werd tot Hem gebracht een van den duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, alzo dat de blinde en stomme beide sprak en zag.
(Marcus 1:32) Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, brachten zij tot Hem allen, die kwalijk gesteld, en van den duivel bezeten waren.
(Lukas 9:38-42) En ziet, een man van de schare riep uit, zeggende: Meester, ik bid U, zie toch mijn zoon aan; want hij is mij een eniggeborene. En zie, een geest neemt hem, en van stonde aan roept hij, en hij scheurt hem, dat hij schuimt, en wijkt nauwelijks van hem, en verplettert hem. En nog, als hij naar Hem toekwam, scheurde hem de duivel, en verscheurde hem; maar Jezus bestrafte den onreinen geest, en maakte het kind gezond, en gaf hem zijn vader weder.
(Mattheus 8:31) En de duivelen baden Hem, zeggende: Indien Gij ons uitwerpt, laat ons toe, dat wij in die kudde zwijnen varen.
(Marcus 1:34) En Hij genas er velen, die door verscheidene ziekten kwalijk gesteld waren; en wierp vele duivelen uit, en liet de duivelen niet toe te spreken, omdat zij Hem kenden.
(Marcus 6:13) En zij wierpen vele duivelen uit, en zalfden vele kranken met olie, en maakten hen gezond.
(Lukas 8:2) En sommige vrouwen, die van boze geesten en krankheden genezen waren, namelijk Maria, genaamd Magdalena, van welke zeven duivelen uitgegaan waren;
(Lukas 8:30) En Jezus vraagde hem, zeggende: Welke is uw naam? En hij zeide: Legio. Want vele duivelen waren in hem gevaren.
(Lukas 9:1) En Zijn twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf Hij hun kracht en macht over al de duivelen, en om ziekten te genezen.
(Jakobus 2:19) Gij gelooft, dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen.


CONCLUSIE:


Lees verder: Goddelijke Genocide